Lessen van tien jaar mienskipslânbou in Fryslân

Lessen van tien jaar mienskipslânbou in Fryslân

Pioniers op regionale schaal leren van de pioniers op nationale, maar vooral internationale schaal – van de Jean-Martin Fortiers en de Richard Perkins van deze wereld. Voor die regionale schaal is altijd weer een eigen model nodig en voor iedere tuinder weer een eigen uitwerking. Michel Pauluis (Us Hôf) en Joël van den Broek  (Yn ‘e Sinne Farm) vonden ieder hun eigen wiel uit, lerend van de pioniers en van elkaar, om nu de opgebouwde kennis weer verder te delen.

Us Hôf in Sibrandabuorren was ruim tien jaar geleden de eerste community supported agriculture of CSA in Fryslân. Op de zelfoogsttuin van twee hectare kunnen leden negen maanden per jaar al hun verse groente plukken naar wens en behoefte, maar een abonnement op een tas hoort ook tot de mogelijkheden. Via de voedselcoöperatie Us Iten kunnen de leden hun overige boodschappen doen, bij lokale leveranciers of de biologische groothandel.

Yn ‘e Sinne Farm, gelegen bij Jirnsum, gaat het zevende seizoen in. Op een kleine drie hectare telen Joël en zijn team zo’n veertig soorten groenten, in uiteenlopende variëteiten. Leden komen wekelijks hun eigen oogstaandeel samenstellen in de winkel, waar alles geoogst klaar staat. Daar komen ook losse klanten langs. In Jirnsum, Akkrum en Drachten staat Yn ‘e Sinne wekelijks met een marktkraam.

Op nog geen vijf kilometer van elkaar opereren beide tuinders met een heel eigen bedrijfsmodel en bedienen zo een heel eigen deel van de markt. Samen beantwoorden ze tien brandende vragen over mienskipslânbou in Fryslân.

Interview

Hoeveel monden voed je met jouw tuin en wat levert dat op?

Joël: “We voeden wekelijks zo’n 450 monden, schat ik. We draaien nu financieel goed. Met personeelskosten, inkoop en tuindersloon hadden we afgelopen jaar voor het eerst een bescheiden winst. Als ik iets geleerd heb door de tijd, dan is het wel: “blijf bij je plan”. Zelfoogst wordt gezien als het meest rendabel, maar wij maken een andere keuze. En ook belangrijk: volhouden. In de eerste jaren hadden we soms 5 tot 10 klanten, nu kijken we niet meer op van 100 of 150 op een dag.”

Michel: “Ús Hôf voorziet voor zo’n 330 monden in de dagelijks aanbevolen hoeveelheid groenten. Dat komt neer op een omzet van net onder de ton. Hiermee dekken we de kosten, heb ik een modaal inkomen en lossen we langzaam de renteloze leningen af.”

Wat is het belangrijkste verschil tussen jullie bedrijven?

Michel: “Het belangrijkste verschil tussen onze bedrijven is de zelfoogst. De beleving van zelfoogst is wel bijzonder: zelfoogstabonnees ervaren Us Hôf echt als een eigen reuzenmoesttuin met een tuinbutler. Wij zijn met tassen begonnen toen een aantal klanten aangaf dat het oogsten om diverse redenen niet meer lukte. En toen we die tassen ook naar de stad brachten, kregen we daar veel extra abonnees mee. Maar de binding met de tuin is dan minder, je krijgt er een ander soort consument bij. Wij zien onze leden als deelgenoten, die delen mee in de overvloed, maar ook in het risico van slakkenplagen en noodweer. Die band is sterker bij zelfoogsters. Klanten met tassen vervallen toch eerder in consumentisme.”

Hoe staat Fryslân tegenover ‘mienskipslanbou’?

Joël: Heel positief! Het zijn wel nuchtere Friezen, dus je moet niet verwachten dat je tienen gaat scoren, maar ze vinden dit iets heel moois. In onze klantenenquête scoren we een 9,1 dus dat is ontzettend goed. Vooral omdat het nog beter is dan we tot nu toe scoorden, weer een puntje erbij.”

Michel: “Ze zijn blij dat we er zijn, maar het blijft wel een spannend hoekje van de wereld. Ze hier niet zo progressief, want: ‘je kunt toch ook gewoon naar de Poiesz’. In de omgeving van Wageningen zijn al heel lang csa-tuinderijen actief. Dit seizoen zijn drie nieuwe tuinen gestart, die stuk voor stuk meteen vol zaten en een wachtlijst hebben voor nieuwe deelnemers. Wij moeten het ook hebben van klanten die van iets verder weg komen, een kleinere groep bewuste consumenten, waardoor je langzamer groeit.”

Voor hoeveel van jullie soort tuinen is er plek?

Michel: “Bij elk dorp een tuin, stel ik mij ten doel. Om de stad heen een paar meer: vijf of zes tuinen van elk zo’n twee hectare groot.”

Als je toen wist wat je nu weet, wat had je dan anders gedaan toen je met deze tuin begon?

Michel: “Dan was ik er niet aan begonnen, haha.”

Joël: “Dan had ik alles dichtbij huis ingericht. Nu zitten we verspreid over verschillende percelen op een plek waar we niet wonen. Aan de andere kant: als ik toen een boerderij met vier hectare grond had willen kopen, had de bank toch nee gezegd. Nu kan ik cijfers laten zien, waardoor de bank wel bereid is.”

Michel: “Ik zou dan meer op groei hebben geanticipeerd. Meer automatiseren van administratie, investeren in werktuigen. Als je voor 40 huishoudens begint en alles handmatig doet, dan kan dat nog. Maar als je dan groeit en hetzelfde werk voor 140 huishoudens moet doen, dan is het echt te veel. Dat geldt ook waar het om de voorzieningen gaat, hoe je bedrijf is ingericht. Ik had ruimere paden voor die volgende grotere trekker moeten aanleggen, meer oppervlak voor opslag en meer folietunnels. Meer durven durven. Ik dacht: we kijken wel en zo zijn we organisch gegroeid. En eigenlijk is dat ook prima.”

CSA Gemeenschap

Een csa is een gemeenschap. Wat werkt wel en wat werkt niet?

Michel: “Het duurt bij de meeste deelnemers wel lang voordat ze door hebben dat ze bij een club horen en zich echt deel van de gemeenschap gaan voelen. Maar dat begint nu te lopen, omdat we langer bekend zijn. We zijn druk met de bouw van een nieuw gemeenschapsgebouw, waar we alle functies, zoals de werkplaats en lunchruimte, samenbrengen – ter vervanging van schuren en garages. Het terrein is overgedragen aan stichting Aardpeer, zodat ook als wij hier niet meer zijn, de tuinderij voor de gemeenschap behouden blijft. Wat echt erg goed werkt: ik word heel blij van de samenwerking met de koksopleiding Dutch Cuisine van Firda in Sneek. Voor mij is dat een godsgeschenk. Want daar gaat het om datgene waar ik echt warm voor loop: de smaak van kraakverse groente. De samenwerking is fijn, het uitwerken van leuke lessen voor de koks in opleiding – ik haal daar heel veel plezier uit.”

Joël: “We kennen al onze klanten bij naam en dat vinden mensen fijn. Gezellige evenementen op de tuin, zoals de diners die we verzorgen op de tuin, zijn een goede manier om de gemeenschap bij de tuin te betrekken.”

Je teelt de mooiste groenten voor je klanten. Waar houden ze van en waar niet?

Joël: “Soms loopt een soort echt totaal niet: we hadden bijvoorbeeld zes bedden catalogna, een Italiaanse andijviesoort voor het najaar. Die konden we allemaal weg doen. Waar het aan ligt weet je niet. Want de treviso radicchio liep als een trein, terwijl die roodlof ook een bittere groente is. We moeten er wel wat uitleg bij geven, maar die ging echt goed. Ook lastig zijn venkel en bleekselderij. In de losse verkoop kopen mensen toch wat ze al kennen, het oogstaandeel is veel avontuurlijker.

Michel: “Tijdens de jaarlijkse winterbijeenkomst met de abonnees krijgen we terugkoppeling over wat wel en niet lekker liep in het afgelopen jaar. Qua voorkeur voor groenten zijn de smaken zo divers, dus daar valt weinig over te zeggen. We zorgen gewoon dat er elke week, elk seizoen een heel breed aanbod is van verschillende soorten groenten te oogsten is. Een hele klus om dat plannen.

 

Waar betrek je zaden en plantgoed vandaan?

Michel: “Het meeste plantgoed komt bij ons van Jongerius, maar we zaaien ook steeds meer zelf voor met biologische zaden van de Bolster. Met het CSA-netwerk zijn we in Noord-Nederland een opkweekclubje gestart om ervaringen te delen met tuinders die dit ook zelf doen. Daarvoor hebben we een potjespersmachine gekocht en dat werkt top, al werken we nog wel aan de juiste consistentie voor het persmengsel.”

Joël: “Wij zaaien dit jaar voor het eerst alles zelf. Vooral omdat ik voorheen altijd in de clinch lag met Jongerius, vanwege de voortdurende leveringsproblemen. De keer dat we zonder bericht niet geleverd kregen terwijl we de volgende dag plantjesmarkt hadden, dat was echt de druppel. Als er dan €15.000 per jaar doorheen gaat, kunnen we het beter zelf doen. Bovendien heb ik het jaar rond personeel dat het zaaiwerk kan doen, dus die kosten maak ik toch al.”

“Veel bestel ik bij Bingenheimer in Duitsland. Bij De Bolster bestellen we een beetje en ook bij Vitalis, de biologische tak van Enza Zaden. Ik kies ook zaadvaste rassen, zodat we zelf zaad kunnen winnen. Vanwege het probleem van veen in potgrond zaaien we nu in kokosvezel met bijbemesting en dat geeft een hele mooie doorworteling. Kokos komt wel niet van hier, maar het is in elk geval wel een hernieuwbare bron in tegenstelling tot veen.”

 

Hoe financieel houdbaar is jullie csa-model en hoe zie je de toekomst?

Joël: “Een duurzame bedrijfsvoering betekent ook financieel duurzaam. Tot nu toe had ik alle winters een baan erbij. Dan was ik naast al die winterklussen ook nog koeien aan het melken of vrachtwagens aan het leeghalen voor DPD. De hele winter is onze winkel open, dus we vullen nu ons eigen aanbod aan met ingekochte groente en fruit. Dat is niet ideaal, want daarop heb je veel minder marge. Maar toch: het gaat financieel steeds beter.

Michel: “Deze vorm van korte keten voor voedsel heeft zeker een toekomst als alternatief voor de supermarkt. Schaal en vakmansschap is wel bepalend als je er een acceptabel inkomen van wilt overhouden. Het betrekken van de deelnemers hoort ook bij het vak van gemeenschapslandbouw. Die zijn nodig als vrijwilligers op het terrein, maar ook voor zaken als ledenadminstratie, innen van contributies, werving en evenementen organiseren.”

Project Friese Vitale Bodem

Wat heb je van je aan het bodemproject gehad?

Joël: “Dat we allemaal van ons eilandje af kwamen en samen onderweg gingen, dat was het mooiste. De bodemanalyses zijn heel belangrijk voor ons geweest. Ook het kijken naar elkaars chroma’s was erg leerzaam. We wisten al dat bodemleven heel belangrijk was, maar dat heeft nog meer prioriteit gekregen. We maken bijvoorbeeld met koeien- en paardenmest, stro en effectieve microbacteriën onze eigen compost die we met de ruige meststrooier over het land brengen. Groenbemesters ben ik ook veel meer gaan gebruiken om onkruid tegen te gaan en het bodemleven te voeden. Het is een heel mooi netwerk van collega’s geworden – met nieuwe vriendschappen – waarbij je bij elkaar kunt zien hoe iedereen het doet.”